Nieuwsblad
van het Noorden van woensdag 8 mei 1974Liever wou ik sterven dan de naam noemen
"De Duitse officier trok zijn pistool, drukte het
tegen mijn slaap en vroeg mij de naam te noemen, ik herinner me levendig dat
het een mooie dag was. De bomen en struiken kwamen al een beetje in het
groen. De lucht was blauw. Ik was jong. Ik kon mijn vrouw zien aan de
overkant van de straat. Maar nooit zou ik de naam van de man zeggen. Liever
wou ik sterven"...

Harm van Zomeren
Op 10 april was het 29 jaar geleden, het bloedbad van
10 april 1945 in het Drentse Diever. Twaalf mensen werden daar in de
hoofdstraat van Diever van de straat geplukt door Duitsers en landwachters.
In Den Haag hebben we het verhaal
gedaan van Koop Westerhof, overlevende van het bloedbad. Maar hij was niet
de enige.
In Engeland woont Harm van Zomeren al zo'n 23 jaar. Af
en toe zendt men hem het Nieuwsblad van het Noorden toe, en onze publikaties
riepen herinneringen bij hem wakker. Hij stelde ze op schrift en stuurde ze
ons uit Basingstoke in het graafschap Hampshire. De meest dramatische
passage uit zijn brief gaven we in de inleiding.Hier volgt zijn story over het bloedbad in die trieste oorlogsdagen.
In Diever woonde ik precies tegenover de plaats waar de
mannen werden doodgeschoten. In die tijd werkte ik bij de Centrale
Controledienst. Enkele dagen voor de 10de april kreeg ik bezoek van een
ondergrondse verzetstrijder, die me vroeg deel te nemen aan een actie. Het
was de bedoeling om de Dieverbrug op te blazen en de Duitsers, die in café Blok waren ingekwartierd de rekening te presenteren voor hun ongewenst
verblijf. Ik ging dus niet aan het werk maar bleef thuis tot het sein werd
gegeven.
Op 9 april naderde een zekere van der Veen in de
namiddag mijn huis. Ik stond met enkele buren buiten. Wij wisten dat van der
Veen een gevaarlijke figuur was, die een woning bij de gereformeerde school
had betrokken. Hij was een NSB-er, die na Dolle Dinsdag naar Diever was
gekomen. Eén van mijn buren, Vierhoven, zei hem dat het einde nabij was en
dat hij er beter aan deed te verdwijnen. En inderdaad maakte Van der Veen
met gezwinde spoed dat hij wegkwam.
Regen van kogels
De volgende dag, 10 april, omstreeks het middaguur zag
ik twee mannen bij het kerkhof, Koning en Zoer. Ik vroeg hen of zij iets
wisten, want ik vermoedde dat beiden contact hadden met de ondergrondse. Een
ogenblik later zag ik Duitsers tussen de bomen. Zij begonnen te schieten.
Het regende kogels uit machinegeweren. Koning werd doodgeschoten en Zoer zag
ik verdwijnen in een korenveld. Toen werd ik
gegrepen: 'Handen in de nek en niet verroeren'. Hendrik Akkerman en zijn
vader waren er ook bij. Zij werden uit hun woonwagens gehaald die bij het
kerkhof stonden. Een Duitse officier, de leider, werd aan zijn knie
getroffen, vermoedelijk door parachutisten. Hij stond op en
kreeg een kogel
tussen zijn ogen.
Nog enkele mannen en twee jongens werden opgebracht,
allemaal met de handen in de nek. We moesten op de grond
gaan zitten,
omringd door Duitse soldaten. die ons bewaakten, met het geweer in de
aanslag op ons gericht. Om ongeveer 4 uur kwam een Duitse officier. Hij had
van der Veen bij zich, de man die wij de vorige dag hadden gezegd te verdwijnen. Van der Veen kreeg de vraag degenen aan te wijzen, die hem
lastig hadden gevallen. Nadat we allemaal waren opgestaan kwam hij de rij
langs en bleef voor mij stilstaan: "Deze man was er bij. Ik vermoed dat hij
contacten heeft met de verzetsbeweging. De man, die tegen mij sprak zie ik
niet. Maar deze van Zomeren kent hem wel.
Een uur tijd
Dan komt Harm van Zomeren in zijn brief aan het
gedeelte dat we in de aanhef plaatsten. Waarna hij vervolgt: "De officier
vroeg van der Veen of hij mij ging doden. Maar deze zei dat ik nog veel meer
wist. Hij wilde mij, als de officier het goed vond, meenemen naar zijn huis
en hij zou het er wel uitslaan. De officier gaf hem een uur de tijd, dan
moest ik worden teruggebracht. Er ging ook een soldaat mee en ik wist dat ik
nu niet lang meer had te leven. Bij Willem Punt, waar later ook Koop Westerhof met bloed in zijn klompen zou aankloppen, vroeg ik om water. Mijn
tong lag als leer in de mond.
In het huis van van der Veen brachten ze mij naar de woonkamer. Door het raam zag ik dat onder anderen Kerssies en Houwer
door de Duitsers werden weggeleid. De vrouw van van der Veen verkeerde in
doodsangst. Ik vertelde haar dat de geallieerden dichtbij waren en dat zij
aan de hoogste boom zouden worden opgehangen als ook maar iemand letsel werd
aangedaan. De vrouw werd hysterisch en er ontstond grote verwarring onder de
aanwezige NSB'ers. Sommigen begonnen hun zaakjes bij elkaar te pakken. Eén
van hen bewaakte mij met zijn revolver. Hij keek even de andere kant uit en
ik nam een sprong door de deur en rende het huis uit. Via de achterkamer van
een ander huis kwam ik in het open veld terecht. Na veel omzwervingen
belandde ik bij mijn vriend en collega Oosterveld in Wapserveen. De
bevrijding kwam de volgende dag. De ondergrondse in Wapserveen had Diever al
ingelicht en een koerierster, mejuffrouw Schoenmaker, liet mijn vrouw Annie
weten dat alles in orde was.
Doden begraven
Een paar dagen later werden de doden begraven. Ik droeg
samen met anderen de kist van mijn jonge buurman. Koop
Houwer, die met zijn
vader was vermoord. De dag voor zijn dood had hij mij zijn foto gegeven,
waarop hij geschreven had: "Bloemen en bladeren vergaan, maar vriendschap en
liefde blijven bestaan".
Als ik in Nederland kom bezoek ik het graf van hen die
ik zo goed heb gekend. Soms maakt een gevoel van schuld zich van mij
meester. Ik leef en zij zijn dood. Eigenlijk had ik bij hen moeten zijn.
Velen hadden niets gedaan, waarvoor zij de doodstraf verdienden. Van der
Veen werd later opgespoord en naar Diever gebracht. In Tenaarloo kreeg ik de boodschap dat ik hem moest komen herkennen. Maar toen ik Diever bereikte,
was hij reeds dood. Hij was de man die tegen de Duitsers zei dat we allemaal
doodgeschoten moesten worden." aldus het relaas van H. van Zomeren.
Met dank aan Peter
Newcombe zoon van Harm van Zomeren.
|